De geplande verhoging van de roerende voorheffing op dividenden onder het VVPRbis‑regime van 15% naar 18% zal niet ingaan op 1 april 2026. Intussen is bevestigd dat deze wijziging ten vroegste op 1 juni 2026 van kracht kan worden.
Vertraagde goedkeuring van de programmawet
De verhoging van het VVPRbis‑tarief maakt deel uit van een nieuwe programmawet. De eindstemming over deze wet werd uitgesteld tot na 1 april 2026. Aangezien de programmawet in april 2026 nog niet werd goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan zij ook niet eerder in werking treden.
Zoals gebruikelijk treedt de wet pas in werking op de eerste dag van de maand na publicatie. Hierdoor wordt de mogelijke inwerkingtreding verschoven naar 1 juni 2026, al blijft verdere vertraging niet uitgesloten.
Praktische impact voor kleine vennootschappen
Voor kleine vennootschappen betekent dit concreet dat er nog tot en met 31 mei 2026 dividenden kunnen worden uitgekeerd onder het huidige VVPRbis‑tarief van 15% roerende voorheffing.
Pas voor dividenduitkeringen beslist vanaf 1 juni 2026 zal het nieuwe tarief van 18% van toepassing zijn, en dat enkel op voorwaarde dat de programmawet tijdig wordt gepubliceerd.
Minister bevestigt duidelijke spelregels
De parlementaire antwoorden bieden duidelijke zekerheid: wie tijdig beslist, blijft onder het oude VVPRbis‑tarief van 15%, zonder risico op fiscale herkwalificatie.
De minister bevestigt uitdrukkelijk dat dividenden die worden beslist vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet kunnen worden beschouwd als fiscaal misbruik. Een belastingplichtige kan immers niet handelen in strijd met een wet die op het moment van de beslissing nog niet van kracht is. Ook het tijdstip waarop de roerende voorheffing wordt aangegeven of betaald, speelt hierbij geen rol.
Dit betekent dat dividenduitkeringen die tijdig en rechtsgeldig worden beslist, het 15%‑tarief behouden, zelfs wanneer de betaling en aangifte pas nadien plaatsvinden. Uiteraard moeten alle vennootschapsrechtelijke voorwaarden worden nageleefd, waaronder de netto‑actieftest en de liquiditeitstest.
Het belang van een aantoonbare beslissingsdatum
De minister wijst wel op het belang van een correcte bewijsvoering. De belastingplichtige moet de datum van de dividendbeslissing kunnen aantonen met wettelijk toegelaten bewijsmiddelen. Om discussies met de fiscale administratie te vermijden, is het aangewezen te beschikken over notulen van de algemene vergadering met een vaste datum (bv. door digitale ondertekening of ondertekening door een accountant of belastingadviseur).